Ooit waren alle Grieken van het vasteland, van de eilanden en van de kolonies met elkaar verbonden in taal, in godsvrucht en karakter.

In het gebied dat we nu kennen als Griekenland, trekken vanaf 1 900 v.C. een aantal volksstammen binnen, vanuit de Donauvlakte en Zuid-Rusland. Rond 800 v.C. is het grondgebied – min of meer - verdeeld tussen Noordwest-Grieken, Arkadiërs (midden Peloponnesos), Aioliërs (Boiotia) en Doriërs (Lakonia en Argolis). De Ioniërs (Attika) noemen zich autochtoon (autochthonos, lett. “ontsproten aan de aarde”), omdat zij niet van buitenaf gekomen zouden zijn, maar het gebied altijd al bewoonden. De Grieken verklaren de verschillen tussen de stammen op de volgende manier: op een zeker moment was Zeus zo woedend over het gebrek aan vroomheid van zijn onderdanen, dat hij een vloedgolf zond, die het mensdom uitvaagde. Slechts één mensenpaar overleefde: Deukalion (zoon van titanenzoon Prometheus) en Pyrrha (dochter van de titanenzoon Epimetheus), omdat Prometheus hen had aangeraden om een boot te bouwen. Zij maken nieuwe mensen uit stenen. Ze hebben ook een zoon Hellen, naar wie de Grieken Hellenen worden genoemd. Uit diens zonen Aiolos en Doros ontstaan de Aioliërs en de Doriërs. Er is nog een derde zoon, Xouthos, wiens aangenomen zoon Ion de stamvader van de Ioniërs wordt. De Arkadiërs zijn dan weer de afstammelingen van Arkas, zoon van de oppergod Zeus en de nimf Kallisto.

 

Over verschillende eeuwen ontwikkelden zich autonome steden en stadsstaten uit versterkte vestingen (akropolis), waarvan de oudste dateren uit de Myceense beschaving (bronstijd, 1 700 v.C.). Deze oude burchten worden door de Grieken beschouwd als het werk van kyklopen (mythologische reuzen met één oog). De Grieken breiden hun gebieden over verschillende eeuwen uit naar het westen en naar het oosten, tot op de kuststroken van Klein-Azië. Maar het land vormt geen eenheid. Het bestaat uit tientallen onafhankelijke stadsstaten in voortdurende onderlinge rivaliteit. Slechts gedurende een korte periode (de Perzische oorlogen) slagen ze erin zich te verenigen tegen een gemeenschappelijke vijand. Zelfs dat is relatief te noemen, want oa. de Thessaliërs en de Thebanen sluiten zich niet aan bij het Griekse bondgenootschap.

 

In die verbondenheid versloegen ze hun vijanden, verfijnden ze kunst en letterkunde en organiseerden ze luisterrijke godenspelen, die de barbaren hen benijdden.

De term barbaar is oorspronkelijk een neutrale term, die door de Grieken wordt gebruikt voor iedereen die niet Grieks is. In de loop der tijden krijgt hij de bijklank “onbeschaafd”.

 

Maar helaas… wij waren als Talos, een reus op wankele voeten.

Talos is een bronzen reus, vervaardigd door de goddelijke smid Hephaistos. Hij bewaakt één van Zeus’ minnaressen, Europa, die op het eiland Kreta verblijft. Passerende schepen bekogelt hij met rotsblokken. Van zijn nek tot zijn enkel loopt één ader, waardoor goddelijk bloed (ichor) stroomt. Deze ader wordt door een spijker dichtgehouden. Wanneer hij ervan overtuigd raakt dat hij menselijk kan worden als hij de spijker verwijdert, haalt hij hem eruit en sterft.

 

De koningsvrede die ons wordt opgedrongen, is niet anders dan smadelijk te noemen.

De Koningsvrede of vrede van Antalkidas wordt gesloten in 387 v.C. Het is een overeenkomst tussen de Spartaan Antalkidas en de Perzische koning Artaxerxes II, waarbij de Grieken de kolonies in Klein-Azië en de eilanden voor de kust afstaan aan de Perzen. In het verdrag wordt ook bepaald dat de Grieken hun onderlinge oorlogen dienen te staken. Desondanks zal Sparta in 382 v.C. terug ten strijde trekken en breekt een nieuwe periode van oorlog aan, die het land zo zullen verzwakken dat ze in 338 v.C. door de Macedonische koning Philippos onder de voet gelopen worden (slag bij Chaeronea).

 

De godin Vergetelheid, dochter van de Nacht, wacht geduldig in de schaduwen en ontfermt zich over de mensenlevens die niemand zich herinnert.

Lethe, de godin van de vergetelheid, is een dochter van oergodin Nyx (Nacht), die op haar beurt een dochter is van Chaos, die alle leven in het universum voorafging. Nyx brengt nog andere kinderen ter wereld, waarvan de meesten, zoals Lethe, een negatieve connotatie hebben, bv. de tweeling Thanatos (Dood) en Hypnos (Slaap), Eris (Tweedracht), Geras (Ouderdom), Moros (Doem), Nemesis (Wraak) en de drie moirai (schikgodinnen).

 

Laat uw vooroordelen u niet verhinderen om haar werk te lezen, waarvoor zij de milde bijstand van de muzen heeft ingeroepen.

De muzen worden meestal beschouwd als dochters van oppergod Zeus en de titane (godin van een vorige generatie) Mnemosyne. Mnemosyne is de godin van het geheugen en Zeus zijn 5de echtgenote. De muzen leven op de berg Parnassos in Delphi, waar de bron Kastalia aan hen gewijd is. Ook de Helikonberg in Boiotia, met de Hengstenbron (ontstaan door een hoefslag van het gevleugeld paard Pegasos) wordt genoemd als één van hun verblijfplaatsen.

 

99ste Olympiade, 1ste jaar

Het voorwoord is gedateerd in het eerste jaar van de negenennegentigste olympiade, wat overeenkomt met 384 v.C. De antieke Grieken beginnen hun jaarrekening in het jaar 776 v.C., met de overwinning van Koroibos van Elis in de sprintwedstrijd (stadion) van de heringevoerde Olympische Spelen. Met zijn naam beginnen de overwinnaarslijsten en de tijdrekening in periodes van 4 jaar, de zogenaamde olympiaden. In verhalende teksten wordt deze tijdrekening pas consequent toegepast vanaf de 3de-2de eeuw v.C. Daarvòòr spreekt men van “het jaar dat deze of gene archont was”, “de winter van de zonsverduistering”, twee jaar na de overwinning bij Marathon”, “de zomer dat die en die won bij het worstelen”, enz. Om een jaartelling te laten kloppen, voert men regelmatig schrikkelperiodes in.