Demeter AS.jpg

Afscheid van vroeger

2.1        Moeders en dochters 

2.2        Broze verbondenheid  

2.3        Tussen trots en twijfel

2.4        Een onwelkome gast 

2.5        Bericht uit het verleden  

Toen de vruchtbaarheidsgodin Demeter verzaakte aan de taken die haar werden opgelegd, toen het graan verdorde op de velden en de bomen geen bloesems meer droegen, toen was dat niet uit lichtzinnigheid.

Demeter is de vierde echtgenote van Zeus en baart hem Persephone. Haar haren hebben volgens Homeros de kleur van rijpe korenaren. In de stad Enna op Sicilië wordt ze bijzonder vereerd, omdat hier Persephone geschaakt zou zijn door Hades. In Athene zijn de Eleusynische mysteriën in september aan haar gewijd. Dit is één van de heiligste rituelen, waar pelgrims uit heel Griekenland op af komen (tot in de 5EnC). De mysteriën stellen de mensen in staat om blij te leven en zonder angst te sterven, maar het is strikt verboden er iets over te vertellen of op te schrijven.

 

Ze hadden de veel gebruikte Heilige Weg vermeden en in plaats daarvan de route genomen naast de indrukwekkende muur, die Athene verbond met de havenstad Piraeus. 

In 479 v.C., na de verwoesting door de Perzen, worden versterkte muren opgetrokken door Themistokles. Ze zijn 2,5m breed en 8 m hoog. Op regelmatige afstanden staan er vierkante torens. Er zijn een tiental grote en verschillende kleine poortjes, waarvan de Dipylonpoort (of Kerameikospoort), de Heilige Poort, de Melitepoort en de Pyraeuspoort de belangrijkste zijn. De Dipylonpoort is als enige een versterkte, dubbele poort. De deuren liggen naar achteren toe, zodat de vijand bij een bestorming eerst door de muren heen moet.

 

De heilige weg of Panathenaïsche weg loopt van de akropolis over de agora naar de Dipylonpoort en vandaar naar Eleusis in het westen. Buiten de muren doorsnijdt deze weg het kerkhof.

 

De haven Piraeus is 6 km ten zuidwesten van Athene gelegen en wordt uitgebouwd door Themistokles in de plaats van de tot dusver gebruikte haven van Phaleron. Na de Perzische oorlogen  groeit Piraeus uit tot een handelshaven met kaden, werven, magazijnen,… Het regelmatige grondplan van rechte straten en even grote huizenblokken wordt getekend door de architect Hippodamos (eind 6de eeuw v.C.).

 

In Pireaus hadden ze meer dan een week moeten wachten eer ze een schipper bereid vonden om hen mee te nemen.

Grieken reizen vooral per schip (alleen in de zomer), omdat er amper wegen zijn over land. Geen enkel stuk van Griekenland ligt meer dan 100 km uit de kust. Er is voortdurend gevaar te duchten van piraten. Alleen ten tijde van de Delisch-Attische zeebond kan de zeeroverij binnen de perken gehouden worden.

 

Uiteindelijk waren ze terechtgekomen op een vrachtschip dat naar het noordelijk gelegen Thrakia voer en dat had hen tot in de havenstad Pagasai in Thessalia gevoerd.

Thessalia is de landstreek waar paarden gekweekt worden. Pagasai is de belangrijkste havenstad, zo’n 300 km ten noorden van Athene. Het zou de haven zijn van waaruit de legendarische held Iason vertrok met zijn schip Argo om het gulden vlies te gaan zoeken. De stad Larissa, gelegen aan de Pineiosrivier, is een belangrijk verkeersknooppunt.

 

“Poseidons vriendje” noemden ze hem, naar de paardengod, die ze boven ieder ander vereerden.

De god Poseidon zou van Thessalia een vruchtbare landstreek hebben gemaakt. Hij wordt daar niet alleen als oceaangod, maar ook als paardengod vereerd.

 

Maar schuin achter hem stond zijn tegenpool, de godin die zijn hart zo had doen ontvlammen dat ze als hengst en merrie de liefde hadden bedreven.

Wanneer Demeter wanhopig over de aarde zwerft op zoek naar haar dochter, trekt ze de aandacht van Poseidon. Ze verandert zich in een merrie, maar hij verkracht haar in de gedaante van een hengst. Ze baart hem een dochter (gekend onder de naam Despoina, maar ze heeft ook een andere, echte naam, die alleen wordt onthuld aan de deelnemers aan de Eleusynische mysteriën). Daarnaast krijgt ze van Poseidon ook een zoon, Areion (een sprekend paard, sneller dan de wind).

 

In een hoek van de kamer fronste een boomlange en adembenemend knappe godheid de wenkbrauwen.

Goden en godinnen zijn lang. Zij reiken in hun goddelijke gedaante  tot aan de nok van een huis.

Zoals het spreekwoord zegt: “Liefst haal je geen leeuw in huis, maar als je het toch doet, geef dan gehoor aan zijn nukken”.

De toneelschrijver Aristophanes schrijft in één van zijn stukken het volgende over de Atheense politicus Alkibiades: “’t Liefste moet je geen leeuwen fokken in de stad, maar als je het toch doet, geef dan aan zijn nukken gehoor!”

 

Met koortsige blik volgde Leda elke beweging van Hekamede, terwijl die het kostbare papyrusvel dubbelvouwde, oprolde en voorzichtig wegborg in het aardewerken potje, dat Leda’s juwelenkistje was.

Juwelen en cosmetica worden bewaard in een cilindrisch potje van aardewerk met een deksel (puxis), versierd met huwelijkstaferelen. Parfum wordt bewaard in een langwerpig albasten vaasje, afgesloten met was (aryballos).

 

Sinds ze had vastgesteld hoe lelijk haar gezicht zich vertrok wanneer ze op een fluit blies, had ze nooit meer een instrument aangeraakt.

Athena heeft volgens de mythes de fluit uitgevonden en kan er mooi op spelen, maar wordt uitgelachen omdat haar gezicht vervormt bij het blazen. Daarom gooit ze het instrument weg en vervloekt ze het. De sater Marsyas wordt het slachtoffer van deze vervloeking.

 

Als rechtgeaarde democraat wilde hij dicht bij het volk wonen en zich niet terugtrekken in één van de luxewoningen in de chique Noordwijk.

Zoals alle Griekse steden, is Athene organisch gegroeid rond zijn burcht, zonder enige stadsplanning. Er staan zo’n 10 000 huizen en de stad maakt een rommelige indruk. Appartementsgebouwen worden door verschillende families bewoond. Rond de agora wonen geen beter gegoeden, omdat de lucht er verontreinigd is door de vuren van de werkplaatsen. Naast de agora bevindt zich de Kerameikoswijk. Nabij de Kolonoswijk op de agora verzamelen zich de vrije mannen die zich als dagloner verhuren. Rond  de tempel van Hephaistos zijn de werkplaatsen van de zadel- en schoenmakers en andere handwerklieden. De beeldhouwers-marmerbewerkers werken in de wijk Kolonos agoraios, een heuveltje in de buurt van de tempel van Hephaistos. In het noorden ligt Skambonidai. Het is een residentiële wijk met betere huizen. De volkswijk Kollutos ligt in het zuidwesten. De Melitewijk reikt in het noorden tot de Pyraeuspoort, in het oosten tot de agora en de Areopaag en in het zuiden tot de voet van de PnyxheuvelFout! Bladwijzer niet gedefinieerd.. Het is een volkswijk, hoewel een iets betere buurt.

 

"Oh, hallo, Sophokles, Euripides!”

Sophokles van Kolonos (Athene-496-406 v.C.) en Euripides van Salamis (Cyprus-480-406 v.C.) horen samen met de oudere Aischylos van Eleusis (Attika-525-456 v.C.) bij de grote tragediedichters van de Oudheid. Sophokles vernieuwt het genre door een derde speler toe te voegen en meer ruimte te laten voor de menselijke wil. Euripides gaat nog verder en stelt de mensen voor zoals ze zijn, onderworpen aan sentimenten en hartstochten. Hij introduceert de “deus ex machina” (een god die d.m.v. een korf aan een hefboom op het toneel wordt neergelaten en alle problemen oplost). Hij is ontzettend populair in zijn eigen tijd en daarna.

 

Zonder twijfel waren dit hun zonen, Philemon en Perikles junior.

Perikles jr. is de enige zoon van Perikles en Aspasia. Hij wordt geboren in 450 v.C.

 

"Marpessa, breng eens wat strooigoed!" riep Aspasia en een dikke, oude slavin hobbelde gehoorzaam naar de voorraadkamer.

Marpessa is de naam van een riviernimf  waarop Apollo verliefd wordt.

 

Ze combineerde Akka's kookkunst met Anteia's zuinigheid en verraste het gezin dag na dag met heerlijke schotels.

Voor de 4de eeuw v.C. zijn er geen keukens. Men kookt in een hoek van de binnenplaats of in open lucht. Koks leren hun vak uit de praktijk en uit boeken. In gewone huishoudens zijn het de vrouwen en de slaven, die de maaltijden bereiden. Het meeste keukengerei is van aardewerk en brons, soms van goud en zilver. Vorken worden niet aan tafel gebruikt, alleen voor de bereiding van voedsel. Een mes hangt in de schede aan de gordel. In de keuken worden speciale messen gebruikt voor vlees, vis en fruit. In amforen wordt vooral graan en olie bewaard. Om aan tafel de handen af te vegen, gebruikt men een stuk brood of deeg. De restjes worden op de grond geworpen voor de honden.

 

De armere Athener komt de dag door op twee stukken brood, twee ajuinen en een handvol olijven. Als ontbijt eet de Athener wat brood, geweekt in onaangelengde wijn, eventueel aangevuld met enkele olijven of vijgen. ’s Middags wordt er snel een “ariston” gegeten en daarna nog een snack in de vroege avond. Het belangrijkste maal van de dag is het avondmaal (deipnon) , bij zonsondergang of nog later. Men eet vooral brood van gerst en tarwe, minder gierst, rogge, haver en rijst. Langzamerhand mengt men zowat alles door brood en gebak.  In gewone middens eet men vooral vis uit de Middellandse Zee. Rundsvlees wordt zelden gegeten. Wel eet men producten van de jacht en verder schaap, geit en varken of ook wel krekel en slak. Kleine vogeltjes komen ook op tafel. Olijfolie vervult de rol van spijsvetten. Groenten zijn duur, maar armen eten wel erwten, uien, linzen, bonen, kool, prei en sla. Men kent ook de komkommer, pompoen, radijs, wilde wortel. Ze eten ook de zaadbodems van distels, paddenstoelen, truffels en merg van de palmboom. Als fruit kennen ze de appel, peren, kweeperen, vijgen, granaatappelen. Gebruikte kruiden zijn kummel, venkel, marjolein, tijm, koriander, dille, maanzaad, salie, kappertjes, knoflook en bieslook. Voorbeeldgerechten: vissaus van ingewanden met gegiste visjes of ragoût van gekookt vlees en geraspt brood, mengsel van reuzel, gerst, melk, dooreengekneed met verse kaas, eidooiers en hersenen, gewikkeld in vijgenbladeren en gekookt in een pan met kokende honing.

 

Onder zijn vrienden werd grappend verteld dat in de voorraadkamer van Perikles de hoorn des overvloeds verstopt was.

De oppergod Zeus wordt op Kreta opgevoed door de geit Amaltheia, een titanendochter. (Van haar huid is Zeus zijn schild/borstplaat vervaardigd.) Zeus vult één van haar hoorns met vruchten, bloemen en rijkdommen en deze wordt de “hoorn des overvloeds” genoemd.

 

Een kleine donkerogige furie stormde op haar af en viel haar in de armen.

De furiën of erinyen zijn wraakgodinnen, die iedereen achtervolgen die onmenselijke misdaden begaat. Het zijn dochters van oergodin Nyx (of ze ontstaan uit bloeddruppels van oergod Ouranos). Ze hebben een afschrikwekkende gestalte, bovenmenselijk groot, slangen in het haar, met fakkels in de ene en van slangen gevlochten zwepen in de andere hand. Voor Athene hebben ze een zwakke plek, omdat ze daar vereerd worden met een eigen heiligdom op de akropolis. Daar worden ze eufemistisch eumeniden genoemd, wat betekent “Mogen zij ons welgezind zijn”.

 

Rond haar hoofd en schouders was een sluier gewikkeld en ze had zelfs een klein slaafje bij zich, dat haar parasol droeg.

Rijkere vrouwen dragen buitenshuis een lange mantel en hoofdtooi en eventueel een soort puntige hoed met brede rand. Ze gaan niet buiten zonder waaier en parasol. De waaier heeft een eenvoudige hart- of plantvorm met de steel als handvat en is rijkelijk beschilderd. De parasol bestaat uit stof over ribben gespannen, die over een stok kunnen schuiven om de parasol dicht te vouwen. Hij wordt door een slaaf gedragen die achter de dame aanloopt. Zeker buiten het huis en dikwijls ook binnen, dragen vrouwen een dunne sluier om de schouders (pharos), die naar boven of opzij kan worden weggetrokken.

 

“Volgens mij is de Lydiër zo vals als Battus!” had ze meermaals gemompeld.

Wanneer Hermes de kudde runderen van Apollo buitmaakt, wordt hij betrapt door de herder Battus. Deze zweert om het geheim niet te verraden, maar wanneer Hermes hem incognito op de proef stelt en hem een beloning belooft, valt hij meteen door de mand. Voor straf wordt hij versteend.

 

“Alles wat Sinon aanraakt, verandert in goud, moeder!"

Wie alles wat hij aanraakt, in goud laat veranderen, is de Phrygische koning Midas. Hij verkrijg dit als gunst van Dionysos, omdat hij de sater Seilenos gastvrij ontvangt. Maar omdat ook voedsel en drank in goud veranderen, dreigt hij van honger te sterven. Om de betovering te doorbreken moet hij zijn hoofd in de rivier Paktolos steken en daarin wordt sindsdien goud gevonden.

 

"Mogen Poseidon en Aphrodite jullie op jullie reis beschermen," wenste ze uit de grond van haar hart.

Poseidon is de oceaangod, die gezien wordt als verantwoordelijk voor storm en wind. Zijn tegenpool is de liefdesgodin Aphrodite, die zorgt voor een kalme en rustige zee en een behouden vaart.